14 | 12 | 2017

 

Patrijzen in de Woldstreek

door: Jan Glas

 

Inhoudsopgave

Met mijn opa.

Hellum: In de jaren vijftig, ik was een jaar of tien, ging ik vaak met mijn opa het veld in naar de Deldens of de Sjalottenpolder. De Deldens was een laag stuk land, dat in de winter geregeld blank stond. Het waren kleine perceeltjes grasland doorsneden met slootjes en een wijk. In deze wijk vingen we kleine snoeken. Met een schepnet in de hand, liepen we op blote voeten door de modderbodem. Het water werd troebel en zuurstofarm, de snoekjes hapten naar lucht en werden gevangen.
Het kanaaltje met de naam "Sjalottenpolder" was een zijtak van de Haansvaart. Rond 1890 zijn dit soort kanalen met de hand gegraven, ze werden gebruikt om landbouwproducten en mest af- en aan te voeren. Met de ruilverkaveling zijn deze zijtakken gedempt, de Kappershuttenweg loopt hier nu overheen. In de Sjalottenpolder gingen we vissen met een hengeltje of er werd een rij zethengels uitgezet. Een zethengel was een stok met een lange snoer voorzien van een haak met daaraan een vette wurm. Mijn opa vertelde ook wel eens kikkerbilletjes te gebruiken. Volgens hem hadden de kikkers geen pijn, het waren immers koudbloedige dieren. Zomer's tegen de avond was het schitterend bij de Sjalottenpolder, er liep een zandpad langs en daarnaast akkers met vooral graan en korenbloemen. Vogels die veel voorkwamen waren de gele kwikstaart, graspiepers, enkele paapjes en grauwe gorzen, altijd roepende koekoeken en overal zingende veldleeuweriken Hier zag ik voor het eerst patrijzen. Mijn opa paste op mijn hengel en ik lag languit in de berm, kijkend naar koppels patrijzen met veel kuikens die uit het graan kwamen en op het zandpad gingen badderen. Vogels kijken was spannender dan vissen.

De Patrijs - Soortbeschrijving

Met 132 soorten zijn de veldhoenders (Perdicinae) de meest vormenrijke onderfamilie van de fazantvogels. Het uiterlijk is meestal tamelijk gedrongen, de snavel kort, het loopbeen betrekkelijk kort, met of zonder spoor. Het gewicht varieert van 45 gram (dwergkwartel) tot 3 kg (rotshoender). De patrijs weegt ongeveer 300 tot 400 gram. De veren hebben meestal een schutkleur, de staart is meestal kort. Patrijzen zijn alleseters. Er zijn 3 verwante geslachten: patrijsvogels, kwartels en tandhoenders.

Onze patrijs behoort tot het geslacht Perdix en wordt aangeduid als Perdix perdix. Een ondersoort, de "veenpatrijs" Perdix.p.sphagnetorum leefde hier vrij zeker, voor de ontginningen. In de Avifauna van Nederland (E.J.Brill 1970) staat hierover: "Zeer schaarse en thans door vermenging met de nominaatvorm perdix vrijwel verdwenen broedvogel van de drie noordelijke provincies. Standvogel" Vooral langs onze oostgrens met Duitsland kwamen tot in de jaren '80 nog veenpatrijzen voor. De veenpatrijs was kleiner van stuk en had over het geheel genomen een donkerder kleur. Onze patrijs is een echte standvogel en komt vooral voor in een kleinschalig akkerlandschap, ook op zogenaamde ruderale terreinen, braakgelegd, met akkerrandenbeheer enz., en in veel mindere mate op grootschalige weilanden en akkers. In de herfst en in de winter leven patrijzen in groepsverband, vroeger in groepen van 50 of meer, tegenwoordig tot zo'n 20 stuks.

Vroeg in het voorjaar vanaf eind februari vormen zich de paartjes. De oudere vogels zijn meestal de territoriale dieren. Ze dulden geen andere paartjes binnen hun gezichtskring. Het broeden begint zo tegen eind april. Het nest met daarin 10 à 20 eieren (een legsel) bestaat uit een ondiep kuiltje op een beschutte plek, aan de rand van een akker en bekleed met dor gras en bladeren. De eieren worden met tussenpozen van 1 à 2 dagen gelegd en bedekt met nestmateriaal tot het broeden begint. Het vrouwtje broedt alleen, het mannetje is in de buurt tijdens een broedduur van 23 tot 25 dagen. De jongen zijn donzige nestvlieders en worden door beide ouders verzorgd. Ze groeien erg snel en na 10 of 11 dagen kunnen ze al fladderen. Goed vliegen doen ze na 16 dagen en het gehele verenkleed is compleet na een kleine 4 week. Tot de volgende lente blijven ze bij elkaar.

Oude "Schoolmeesterrapporten"

Het Rijksarchief te Groningen bezit waardevolle gegevens uit de vorige eeuw. In 1828 werd door de 'Commissie van Onderwijs in de Provincie Groningen' een vragenlijst voorgelegd aan schoolmeesters in alle gemeenten. Een van de vragen betrof het voorkomen van planten en dieren in hun omgeving. `Vraag 8 luidde aldus: Welke zijn er de voortbrengselen uit ieder der drie natuurrijken? Deze vraag betreft zowel het dierenrijk als het plantenrijk en de delfstoffen.

Harkstede: Uit het Dierenrijk heeft men hier paarden, koeien, schapen, varkens, huisdieren, enz. hazen, en vele vossen, voorts grevings, bunzings, enz, patrijzen, ganzen, zwanen, eenden enz. otters, veel visch als baars, snoek, zeelt, voorn, inzonderheid aal en paling.
Het belangrijkste dat de grond voortbrengt is: haver, van welk product wordt uitgevoerd, aardappelen, erwten en bonen, tot eigen gebruik en meest alle tuinvruchten die hier welig groeien, maar men verbouwt weinig rogge, boekweit, garst. Delfstoffen- uit de grond graaft en haalt men veen dat tot baggel bereid wordt. Andere delfstoffen hier niet gevonden.

Scharmer: Dierenrijk: paarden, runders, schapen, varkens, enz. Plantenrijk: rogge, haver, boekweit, tuinvruchten, gras, riet etc. Delfstoffen: turf of bagger.

Colham: Het Dierenrijk bevat niets bijzonders dan adders en hagedissen. Plantenrijk: veel rogge, boekweit, aardappelen, en weinig haver, tamelijk veel eikenhout en verder de gewassen aan zandgrond eigen. Uit het Delfstoffenrijk: zoden die men in de heidevelden steekt en tot brandstof gebruikt.

Slochteren: Dierenrijk: paarden, koeien, schapen, zwijnen, gevogelte, wild en vissen is het tamelijk voorzien. Plantenrijk: rogge, haver, boekweit, gerst, koolzaad, aardappelen, peul- en boonvruchten en houtgewas. Delfstoffen: leem en turf.

Schildwolde: Dierenrijk: paarden, ossen, koeien, schapen, varkens, hazen, vossen, patrijzen, watersnippen, wilde eendvogels, velerhande soort van visch als: aal, baars, snoek, brazem, karpers enz. Plantenrijk: rogge, boekweit, haver, garst, raapzaad, weit, aardappelen, vlas, knollen, wortelen en allerlei tuinvruchten en houtgewas. Delfstoffen: leem tot het metselen en plaveyen der muren, en het leggen van dorsvloeren en een weinig veen tot turf en bagger.

Hellum: Dierenrijk: paarden, koeyen, schapen en varkens, vossen, bunsings, wezels, hazen en patrijzen, hoenders, eenden en ganzen. Plantenrijk: rogge, haver, gerst, boekweit, koolzaad, knollen, wortels en aardappelen, ooft en tuinvruchten. Delfstoffen: het benodigde zand, leem en turf voor de inwoners.

Siddeburen: Dierenrijk: paarden, runders, schapen, varkens, ganzen, eenden en hoenderen enz. Ook heeft men hier en daar enkelen die zich met de Byenteelt onledig houden. Plantenrijk: rogge, boekweit, aardappelen, en haver zijn de hoofdproducten terwijl koolzaad, tarwe en zomergerst, schoon nog al verbouwd wordende minder voordeel opleveren. Delfstoffen: baggerturf voor eigen huisbrand en leem aarde dewelke uitsluitend wordt gebruikt zoo tot het leggen van dorschvloeren, als tot het metselen van muren.

Op de 8ste juni 1892 werd "de Haansvaart" feestelijk in gebruik genomen . Ter ere hiervan had Ds.P. Zuidema een gedicht van 7 coupletten gemaakt, waarvan ik hier één couplet citeer:

Voor dat 't kanaal er nog niet was
Was Hellum deels gelijk moeras
Waar bijna niets wou groeien
Deels was het hoog en dorre grond
Waar men geen fleur of leven vond
Wel 'd Erica wou bloeien

Zowel de schoolmeesterrapporten als een couplet van het gedicht als boven geven ons een blik op een landschap dat optimaal geschikt was voor hoenderachtigen (patrijzen). Rogge, haver en boekweit zijn onmisbaar voor jonge patrijzen. Het waren kleine akkertjes met overal stukjes onland ertussen, zowel hoge akkertjes als veel drassige plekken. Ook groeide er heide. Als bewoners worden zowel vossen als patrijzen genoemd.

De verbouwde gewassen in de gem. Slochteren

De ontwikkeling van de akkerbouw in de gemeente Slochteren is in de onderstaande tabel weergegeven.

 

1852

1950

1961

1980

2000

2000
landelijk

Tarwe*

16

1494

2976

3071

1804

137000

Rogge

1007

1853

591

21

10

6000

Gerst**

102

520

323

913

532

47000

Haver

2112

2234

1804

806

162

2000

Peulvruchten

39

258

34

18

8

3000

Koolzaad

298

672

4

99

44

1000

Aardappels

402

2213

2230

3287

2105

18000

Vlas

0

50

715

0

0

4000

Bieten

0

279

380

496

734

111000

Mosterdzaad

4

0

0

0

0

0

Karwijzaad

25

0

0

17

3

0

Kanariezaad

6

0

0

0

0

0

Graszaad

400

0

0

51

301

22000

Snijmais

0

0

0

55

530

205000

Uien

0

0

0

0

0

20000

Overige

0

0

0

47

112

14000

 

4796

9573

9200

8881

6345

752000

 

* Tarwe 1980: onderverdeeld in zomertarwe 608 ha en wintertarwe 2463 ha
Tarwe 2000: onderverdeeld in zomertarwe 208 ha en wintertarwe 1596 ha

** Gerst 1980: onderverdeeld in zomergerst 647 ha en wintergerst 266 ha
Gerst 2000: onderverdeeld in zomergerst 503 ha en wintergerst 29 ha

Cultuurgrond in 2000 in totaal 12202 ha, inclusief weide.
Bronnen: gegevens voor de jaren 1852, 1950 en 1961 komen uit: K. ter Laan, Geschiedenis van Slochteren, 1962; voor de jaren 1980 en 2000: CBS Landbouwtellingen.

Ontginningen, Kunstmest, Chemische bestrijdingsmiddelen en Mechanisatie

Als de ontginningsmachine op volle toeren draait, keert natuurbeschermer Jac.P.Thijsse zich bij de Tweede Kamer tegen deze aantasting van de natuur. Niemand luistert in de crisisjaren. De omslag komt aan het eind van de jaren vijftig. Vanaf 1961 stoppen de ontginningen ter wille van de natuurbescherming en recreatie. In de twintigste eeuw is er 350.000 hectare woeste grond omgezet in landbouwgrond. Het gebruik van kunstmest is in ongeveer dezelfde periode toegenomen van 50.000 tot 630.000 ton. Kort voor de Tweede Wereldoorlog was de Nederlandse boer reeds de grootste kunstmestgebruiker in de wereld.

Misschien wel het allergrootste probleem op onze mooie planeet betreft de chemische vervuiling. De afgelopen 50 jaar produceerde de mens ongeveer 80.000 nieuwe chemische stoffen. De grootste vinding leek DDT, in 1939. Het werd onthaald als een wondermiddel en heette onschadelijk te zijn voor dieren en vogels. Zo zei men. De oogsten namen spectaculair in omvang toe. In 1962 ontdekte de wetenschapper Rachel Carson dat insecten en wormetende vogels massaal stierven in gebieden waar DDT werd gebruikt. Ook had DDT een grote negatieve invloed op het aantal jongen van dieren en vogels en van sommige vogelsoorten werden de eischalen flinterdun. Haar boek 'Silent Spring' bracht een schokeffect te weeg. President Kennedy zag het gevaar. Binnen acht maanden wist hij dat het verhaal van Carson klopte en ging over tot het nemen van maatregelen. In 1970 werd DDT in Europa verboden. Heden ten dage komt het nog overal in het milieu voor. Een aantal middelen als aldrin, dieldrin en heptachloor zorgden in de jaren '60 ook voor een enorme vogelsterfte op akkerland. Deze en soortgelijke middelen mogen gelukkig niet meer worden gebruikt. De hoeveelheid bestrijdingsmiddelen die wordt gebruikt is op zijn retour, van 35000 ton werkzame stof in 1984 naar 15000 ton in 1997. Een goede ontwikkeling.

De landbouwtrekker heeft het gezicht van het boerenbedrijf totaal veranderd. Hij is de symbool van de mechanisatie. Het werkpaard heeft plaats moeten maken voor het ijzeren paard. In 1913 reden er 2 exemplaren in Nederland, rond 1960 waren dat 80.000 en in 1999 was het aantal opgelopen tot zo'n 175.000 stuks. Het aantal pk's is vertienvoudigd van 16 naar 160 pk. De snelheid van 15 à 25 km per uur waarmee nu het land wordt bewerkt, gezaaid, gepoot, bespoten en geoogst tot in iedere uithoek van het perceel is niet bij te benen voor onze akkervogels. De cyclomaaier is verwoestend voor bodembroeders. Met akkerrandenbeheer probeert men plaatselijk iets aan de slechte situatie te verbeteren. De meeste van de in deze drie alinea's gebruikte gegevens komen uit het vakblad 'de Boerderij'.

Gebied ten zuiden van de dorpen Hellum en Schildwolde

Figuur 1. Gebied ten zuiden van de dorpen Hellum en Schildwolde (Sovon-gebied 07-47). Links: verkaveling rond 1900; rechts: situatie 2005.

Gesprekken met oude jagers

* Rond 1983 ben ik voor het maken van een oud jachtverhaal bij de dochters van Tjaard Bos en Krieno Wildeboer geweest. Citaat: "Eltje Haan was van 1900 tot 1950 naast de grootste bijenhouder ook de laatste broodjager, samen met Tjaard Bos en Sibolt Schreuder. De wildstand, vooral patrijzen, was toen nog zeer rijk. De patrijzen gedijen goed in een kleinschalig landschap met zandpaden, roggevelden en vooral veel insecten en onkruidzaden.

In één jachtseizoen, van september tot eind december, werd door het drietal over de duizend Patrijzen geschoten". (zie Figuur 1; Sovon 07-47, ongeveer 1000 ha). Een jonge patrijs bracht voor de oorlog 75 cent op. In de vijftiger jaren waren het Tjaard Bos en Krieno Wildeboer die het wild de stuipen op het lijf joegen. Pacht werd er niet betaald, de landeigenaar kreeg veelal een haas. Tot ongeveer 1945 reed de bodekar (getrokken door een paard) van de gebroeders Emmelkamp uit Siddeburen twee keer per week naar de Stad. De jachtbuit uit de Woldstreek kwam daar bij de poelier terecht.

*Mans Groeneveld (oude jager uit Overschild) vertelde mij dat vroeger (voor de oorlog) rond Overschild veel patrijzen met strikken werden gevangen. Deze strikken werden daartoe geplaatst in een ploegvoor. Patrijzen zochten hier graag dekking. De laatste voor lag vaak langs een zandpad of slootkant, inclusief de grasrand was de dekking optimaal.

*Tijdens een Sovon ganzentelling (winter 2002) in het gebied Dannemeer kwam ik in gesprek met de oude heer Lenting (toen 85 jaar oud), tijdens zijn werkzame jaren, watermolenaar Schildmeer/Afwateringskanaal en een verwoed jager. In plaats van ganzen waren er vroeger vooral patrijzen in het gebied.

Figuur 2. Dannemeergebied (ten zuiden van afwateringskanaal, Sovon-gebied 07-46). Links: verkaveling rond 1900; rechts: situatie 2005.

Dannemeer (zie Figuur 2; Sovon 07-46, ongeveer 1000 ha). Op 20 jarige leeftijd schoot hij 800 patrijzen in één jachtseizoen van 1 sept. tot 1 jan. Het landschap was kleinschalig met veel lanen, deze werden veelal gerepareerd met geel zand uit een zandgat. Mooi voor patrijzen om in te badderen. Er werd veel rogge en haver verbouwd. Na 1965 (ruilverkaveling) werd het snel minder, toen echter was er toch nog sprake van een jachtdag met 79 geschoten patrijzen. De geschoten patrijzen werden gelijk ontdarmd en tijdens warm weer werd er met de blote handen (de grond was erg los, er werden geen zware machines gebruikt) een kuil in de grond gemaakt. Onderin de kuil kwam een laagje gras, daarop de patrijzen en dan weer gras met hierover een laagje grond. Op deze manier bleven de patrijzen vers. 's Avonds werden ze op de fiets nog naar poelier Bergsma in de Haddingestraat te Groningen gebracht.

bestellijst en koelcel

Figuur 3 De kerstaanbieding van de Groningse poelier Bergsma uit 1938. De foto rechts laat de inhoud van de koelcel zien, de Patrijzen hangen vermoedelijk linksonder.
Foto's onder: de etalage en het afhangrek.

De winter 1979 en 1987

De vernietigende uitwerking op het landschap d.m.v. ruilverkavelingen is nog in volle gang. De mechanisatierace is niet meer te stoppen. In 1970 is weliswaar het insekticide DDT verboden. Maar zelfs nu, in 2007, vindt men nog steeds residuen in allerlei organismen. En herbiciden worden maximaal ingezet, geen kruidje blijft over voor zaadetende vogels. Als er dan ook nog een paar erg strenge winters in onze contreien huishouden dan is dat misschien net de druppel die de emmer doet overlopen. De winters van 1979 en 1987 waren zo extreem en bijzonder dat er van beiden een boek is verschenen. Uit het Sneeuwboek en het IJzelboek komen onderstaande gegevens.

Het journaal van de Barre Winter van 1979 in Groningen (een samenvatting):

ma.12 februari '79 - De naderende winter laat zich voor de eerste keer zien in de gedaante van een langdurige ijzelregen. Takken breken van de bomen door de zwaarte van de ijzel.

wo.14 feb. - Een dag die de Groninger bevolking niet gauw zal vergeten. Vrijwel de hele dag jaagt een sneeuwstorm met een felle oostenwind over Groningen. De wind neemt nog steeds in hevigheid toe en jaagt de sneeuw op tot metershoge duinen in een aanzicht dat doet denken aan de ijstijd. De temperatuur is min 10 graden.

do.15 feb. - Enkele dorpen in Groningen zijn volledig onder de sneeuwmassa's verdwenen en moeten worden uitgegraven. De landmacht verleent op vele plaatsen assistentie met groot materieel.

vr.16 feb. - De wegen zijn nog nagenoeg onbegaanbaar. In kleine dorpen dreigt een voedsel-tekort te ontstaan. De veehouders verkeren in nood. De melk wordt niet meer opgehaald.

za.17 feb. - Het sneeuwruimen komt nu goed op gang. Onder de sneeuwhopen vindt men tientallen dode dieren. Hazen, konijnen, vogels en reà«en.

ma.19 feb. - Op kleinere wegen en in de polder worden rupsvoertuigen ingezet om de laatste sneeuw te ruimen.

wo.21 feb. - De bevolking houdt zich massaal bezig met het voederen van dieren, waaruit kan blijken dat het ernstigste gevaar geweken is.

Woest winterweer in maart 1987. Op 2 maart in de nacht begon het te ijsregenen en dat duurde een half etmaal, later overgaand in stuifsneeuw. De volgende dag klaarde het op en er volgde een periode van koud helder winterweer. Veel dieren werden in hun slaap verrast en veranderd in ijsklompen. Vooral op de grond slapende vogels waren de dupe. Voor de vogels die de ijsregen hadden overleefd was het onmogelijk om aan voedsel te komen. Bij het vogelasiel van Jan de Haas te Finsterwolde werden in totaal 1949 slachtoffers binnengebracht. Een veelvoud van slachtoffers in het open veld is nooit gevonden. Aan patrijzen werden in 4 week 116 stuks binnengebracht en van de fazant 441 exemplaren. Beide soorten die al onder grote druk stonden zijn door beide natuurrampen verder gedecimeerd.

Eigen notitie's

In de strenge winter van '79 werden in februari op voerplaatsen bij NAM-locaties te Siddeburen ongeveer 150 patrijzen waargenomen. Tijdens voederacties in de wintermaanden jan/febr. '85 zijn op verschillende locaties 109 Patrijzen waargenomen (zie Figuur 4). slochteren 1985
Figuur 4. Waargenomen Patrijzen in de gemeente
Slochteren tijdens wintervoedering in 1985


Op 30 Dec. 1989 had ik in het Ufkenshuis een gesprek met Dhr. Jan Haan, toen 84 jaar en nog steeds actief als bijenhouder. Gedurende 51 jaar was hij landarbeider, de eerste 15 jaar bij Clevering in Hellum en de laatste 12 jaar bij Steven Boer in Schildwolde. In 1935 werkte hij 60 uur in de week voor F12.50. Toch had Jan Haan nog tijd om Patrijzen te strikken, soms 20 op één dag. Een rijtje graan werd daarvoor in een vurg (ploegvoor) gestrooid. Zijn vader strikte wel 50 patrijzen op één dag. Hij vertelde dat ze graag in rode klaver of in ruige slootkanten broeden. Er waren veel soorten gewassen, kleine akkers, gespreid zichten. Volgens Jan Haan waren er vroeger meer eksters maar ook meer kleine vogels zoals gorzen. In de winter tegen de avond trokken wolken grijze kraaien naar het Slochterbos om te gaan slapen.

Voordat de combine zijn intrede deed stond het geoogste graan bij de kleinere boer in grote mijten buiten te wachten op de dorsmachine. Bij de familie Pestman in Schildwolde zag schrijver dezes daarbij regelmatig Patrijzen foerageren. Kraaien trokken bovenaan de mijt schoven los en de Patrijzen wachten beneden op de graankorrels samen met duiven en mussen.

Soms worden ook Patrijzen verkeersslachtoffer. In de zeventiger jaren reed ik s'morgensvroeg in de herfst over de Kloosterlaan. In de verte zag ik een aantal hoopjes liggen op de weg, het bleken 8 dode Patrijzen en waren nog warm. Conclusie: hele klucht (familie) tegen een auto doodgevlogen. Martinus de Boer uit Overschild en Jan Hoving uit Siddeburen vertelden mij soortgelijke verhalen over een doodgevlogen klucht op de Meenteweg en langs het Slochterdiep ter hoogte van het Lageland.

Van overvloed tot Rode-lijst soort

Vanwege het feit dat de Patrijs altijd een gewilde jachtvogel geweest is, zijn er ook cijfers bekend uit vroegere periodes. Zo blijkt uit verslagen van Gedeputeerde Staten van Groningen in de jaren 1853 - 1856 dat er grote aantallen geschoten Patrijzen waren aangevoerd. Het betrof 16.000, 20.000, 12.000 en 14.800 stuks. De werkelijke aantallen geschoten en gestrikte vogels zullen nog aanmerkelijk hoger hebben gelegen. Een gedeelte van de Patrijzen kwam niet op de markt en gestrikte exemplaren waren meestal voor eigen consumptie of werden in de buurt verkocht. Voor 1950 werden er in Midden Groningen, vanouds een van de beste patrijzen-gebieden van onze provincie, ongeveer 100 stuks geschoten op 100 ha. Stel dat dit het grootste gedeelte van de jonge vogels betreft. En laten we aannemen dat er op iedere 5 juvenielen 2 volwassen vogels het voorjaar ingaan als broedpaar. Dan was de dichtheid voor 1950 ongeveer 20 broedparen per 100 ha. In "De toestand van Natuur en Landschap in de prov. Groningen" maken Kees van Scharenburg et. al. melding van 0,5 paar per 100 ha in 1989 (een gemiddelde van het akkermeetnet), een getal dat verder is teruggelopen tot 0,2 paar in 1997. Dat betekent dat er van de hoeveelheid patrijzen van voor de tweede wereldoorlog nog 1% over is.

Hoe heeft het zover kunnen komen

Het voorkomen van de Patrijs hangt o.a. samen met de grondsoort, de gewassen die er worden verbouwd, de hoeveelheid gebruikte mest/kunstmest, grootte van de akkers, voedsel het jaar rond voor de oude vogels, voldoende voedsel in de vorm van insecten voor de jonge vogels, mate van gebruik bestrijdingsmiddelen, extensief - intensief bewerken van het land, jacht, dekking in het veld, functieverandering van landerijen, weergesteldheid in het voorjaar en predatie.

Zandgrond als in de Woldstreek bleek, voor de tijd van de drainages en ruilverkavelingen, erg geschikt voor de Patrijs. Vanwege de toen nog aanwezige natte/slechte plekken en de weinige bemesting had het gewas een open structuur, hiervan profiteerden akkervogels als Patrijs en Veldleeuwerik. De gewassen die werden verbouwd zijn van patrijs-gunstig gedegradeerd naar patrijs-ongunstig. Rogge en haver hebben plaats moeten maken voor tarwe en aardappelen. Het betreft hoofdzakelijk wintertarwe en het is bekend dat akkervogels tijdens de winter volop voedsel konden vinden op ongeploegde stoppelvelden van zomertarwe. De laatste decennia verslechterde de situatie nog verder door de teelt van snijmais.

Na de ruilverkaveling waren in een keer alle onverharde zandpaden en kruidenrijke bermen en slootkanten verdwenen. Voor de verkaveling had ieder boer in de Woldstreek zijn eigen opstrekkende heerd met daarbij over bijna de volle lengte een zandpad en een sloot. De overwegend smalle kavels liepen tot aan het Schildmeer in het noorden en naar het zuiden tot bijna aan het riviertje de Siepe. De percelen waren gemiddeld 2,1 ha. groot, ze varieerden van 1,2 ha bij de kleinste tot 2,4 bij de grootste bedrijven. Na de ruilverkaveling waren ze vergroot tot zo'n 10 ha. en perceelsgrenzen in de vorm van slootjes e.d. zijn bijna overal verdwenen. Voor de Patrijs zijn het stukken land van 100 ha en meer. Grote graafmachines waren in de jaren '60 bezig op het land van v. Niejenhuis, de laatste koppel Patrijzen met kuikens zocht dekking in onze tuin aan de Spithofslaan. De Duitsers hebben er een mooi woord voor: Flurbereinigung. Het jaar daarop geen nieuw leven meer, bijna tweeduizend jaar voor niets. Waren er vroeger blokken van 1000 ha zonder doorgaande wegen, na de verkaveling was dat teruggebracht tot zo'n 300 ha. met alle nadelige gevolgen van dien voor akkervogels.

Als gezegd, chemische bestrijdingsmiddelen zijn fataal voor akkervogels. De herbiciden zorgden er voor dat de onmisbare akkerkruiden verdwenen. Nog tijdens de een na laatste strenge winter haalden we, als wintervoederaars, bij de firma Fokkens te Siddeburen tientallen zakken met onkruidzaad. Na 1980 was daar niets meer te halen. Het graan dat bij Fokkens werd geschoond was schoon vanaf het veld. Pesticiden, bleek uit onderzoek, zorgden voor minder kuikens en de kuikens die wel werden geboren verhongerden vanwege gebrek aan insecten.

Ook in Slochteren ging en gaat biotoop verloren voor woningbouw, bedrijfsterreinen, recreatieplassen en natuurontwikkeling t.b.v. moerasvogels (ook Rode Lijst soorten). Als de natuurlijke aanwas door bovengenoemde factoren is geminimaliseerd en de plezierjacht toch doorgaat, dan is men verkeerd bezig. Het is dan één van de druppels. Dat teveel oogsten van alle tijden is moge blijken uit een provinciaal bericht van 1860: "Hier en daar klaagt men evenwel over het verminderen der hazen en wordt zulks vooral toegeschreven, dat door de uitoefening der lange jacht (met honden) te veel wordt weggevangen. Waardoor bij minder voordelige weersgesteldheid in den tijd der teling, schaarschheid ontstaat. Patrijzen zijn er veel overgebleven, daar zij door het natte seizoen zeer wild waren".

Slochteren 2003-2007Zolang er akkervogels zijn, zijn er ook predatoren, zij horen in onze wereld thuis. Alle predatoren werden vroeger veelvuldig gedood al dan niet om de premie die er voor werd uitbetaald. Net als bij de jacht op de Patrijs maakte dat voor de stand niet zoveel uit. Het biotoop was immers optimaal. Buiten roofvogels waren dat vooral wezels, hermelijnen en bunzingen. Piet Buitenkamp werkte rond 1950 bij één van twéé dorsmachines, hij vertelde: we hadden 21 boeren als klant en ieder seizoen werd er bij 2 à 3 boerderijen een bunzing gevangen. Ze kwamen te voorschijn als de laatste schoven de dorsmachine in gingen. Zo'n 7 gulden brachten ze op, genoeg voor de aanschaf van een fles Jonge Klare. Voor 1940 waren er in Hellum 36 akkerbouwers, in 1985 waren dat er 20 en anno 2007 zijn er nog 8. We kunnen rustig stellen dat er in Hellum op zo'n 5 plaatsen bunzingen voorkwamen. Tegenwoordig zijn meldingen van bunzingen schaars.


Figuur 5. Incidentele waarnemingen van Patrijzen in de gemeente Slochteren 2003-2007.

Recente losse waarnemingen uit de Woldstreek vanaf Kerst 2003*

In de jaren 2003 tot 2007 zijn onderstaande waarnemingen van Patrijzen ingestuurd naar de website van de werkgroep Natuur en landschap Duurswold. De meeste van deze waarnemingen zijn gedaan nabij akkerranden, braakliggende terreintjes en nieuw ingerichte natuurgebieden (Strategisch Groenproject Midden Groningen). De waarnemingen zijn zeker niet gebiedsdekkend. Zie ook Figuur 5.

datum

Patrijzen gezien te:

melder/waarnemer

aantal

15-12-03

Uiterburenweg - tussen sparren

Johan Bergsma

4

16-06-04

Slochterdiep - vooraan oostkant

Jan Glas / Jan Hoving

1

01-08-04

Dannemeer - Akkerrand tegen Slochteren

Jan Venhuizen

15

14-10-04

Dannemeer - Akkerrand tegen Slochteren

Jan / Froukje Glas

13

20-10-04

Luddeweer - op maisstoppel - juv

Jan Hoving / Glas

6

herfst 04

't Veen - Siep- akkerrand / braakland 13+5

Jan Hoving / Kampen

18

herfst 04

Meenteweg - land Pimmelaar

Karel Leemhuis

8

herfst 04

Meenteweg - bij boerderij van Eerden

van Eerden

15

14-11-04

Tetjehorn - bij boerderij Huissoon

Jan Glas

8

14-11-04

Uiterburenweg- houtwal / camping

Wildeman

5

25-01-05

Luddeweer

Johan Bergsma

14

01-03-05

Zandwerf - Hellum

Jan Hoving / Schepel

8

-03-05

Zandwerf - Hellum- in een tuin

N Nannig

11

05-03-05

Dannemeer - akkerrand tegen Slocht. 9+2+2

Jan Glas

13

25-03-05

Dannemeer - akkerrand tegen Slochteren

Jan Glas

2

-03-05

Dannemeer - Slochterdiep/Schaaphok

Thomas Fledderman

8

07-04-05

Eideweg - kwekerij

de Vries

4

15-04-05

Uiterburenweg - houtwal / camping

Jack Smit

4

23-04-05

Woudbloem Ae's

Staatsbosbeheer

2

01-04-05

Zandwerf - Hellum

Jan Hoving / Nanning

2

20-04-05

Skaldmeer - Schaaphok

Hein Kuiper

4

06-08-05

Siddeburen - Leentjer

Jan Kuipers

2

15-10-05

Dannemeer

Jan Hoving

9

06-11-05

Zandwerf - Hellum

Hoving / Nanning

8

17-12-05

Skaldmeer

Hoving / Glas

5

30-12-05

Dannemeer

Jan Glas

6

06-03-06

Overschild - Meerweg op braak / 1 pr

Carel Leemhuis

2

20-04-06

Tetjehorn

Avifauna

1

23-04-06

Overschild - Meerweg op braak / 2 pr

Carel Leemhuis

4

22-05-06

Schildwolde - Hondelaan 1 pr

Hanneke Terpstra

2

22-05-06

Slochtermeenteweg 1 pr

Carel Leemhuis

2

29-06-06

Slochtermeenteweg 1 pr

Carel Leemhuis

2

15-07-06

Overschild 1 pr + 6 juv.

Thomas Fledderman

8

16-07-06

Hondelaan en omg. 3 pr. met min 6 en 2 juv

Hanneke Terpstra

11

01-09-06

Overschild - op erf

Anja Huyssoon

7

14-10-06

Veenweg - Hellum

Jan Hoving

7

14-10-06

Hondelaan

Hanneke Terpstra

9

01-11-06

Veenweg - Hellum

Jan Hoving / Nanning

9

24-11-06

Damsterweg

Willem Wind

12

13-12-06

Eideweg - grens Noordbroek

Jan Hoving

5

17-12-06

Korengarst

Avifauna

9

* Website Werkgroep Natuur en Landschap Duurswold: www.werkgroepnld.nl

 
Pogingen tot herstel

Op dit moment wordt op 1 à 2% van het areaal akkerland iets voor akkervogels gedaan, meestal in de vorm van akkerrandenbeheer. Om effect te sorteren zou dit minimaal 5% moeten zijn. Ook de kwaliteit van de akkerranden is van groot belang. Uit onderzoek (Koks et. al. 2001) blijkt dat brede faunaranden een positief effect op akkervogels, insecten en muizen hebben. Duoranden (veel variatie, plaatselijk kort gemaaid) pakken positief uit voor de veldleeuwerik, de 3 meter randen hebben vooralsnog weinig effect. Maaien voor half juli is uit den boze en nooit mag de gehele rand in een keer worden gemaaid. Op een nog erg bescheiden schaal laat het waterschap taluds ongemoeid en sommige boeren werken daar ook aan mee door in een niet schouwbare sloot het riet te laten staan. In een sloot haaks op de Haansvaart resulteerde dat gelijk in een aantal broedpaartjes rietvogels met als topper een blauwborstje met jongen. Robuste verbindingszone's vanaf de Ecologische Hoofd Structuur zouden een opsteker kunnen zijn voor onze akkervogels.

patrijzenOp het symposium ter gelegenheid van het nieuwe rapport "Toestand van Natuur en Landschap 2006 in de provincie Groningen" was één van de sprekers de Directeur Generaal Natuur van het ministerie van LNV, Prof. dr. Andre van der Zande. Naar aanleiding van steeds maar weer sombere berichten over akker-en weidevogels stelde hij voor om te komen tot nieuwe ruilverkavelingen, maar dan met herstel van natuur en cultuur. Een nieuw Deltaplan voor het landschap. Nu er straks grote oppervlaktes tarwe en mais worden geteeld ten behoeve van brandstof, voor onze heilige koe, zal dat Deltaplan er ook moeten komen. De ziel moet weer terug in het landschap. Anders zijn we geen goede rentmeesters.

Met zijn opa

In 2015 laat opa zijn kleinzoon Leeuweriken horen en Korenbloemen, Herderstasjes en Patrijzen zien.

____________________

 

 

 

Illustraties Jan Glas, Johan Bergsma e.a.
Tekst: Jan Glas, Hellum, E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken." target="_blank">Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Redactionele medewerking: Menno Gerkema
©NLD, 2007 Werkgroep Natuur en Landschap Duurswold.
Website: www.werkgroepnld.nl