19 | 10 | 2017

Broedvogelmonitoring in de stad Groningen 1993-2000

door: Aart van der Spoel

Broedvogelmonitoring in de stad Groningen 1993-2000, Roel Modderman, Roland Jalving en Harrie Miedema.
Uitgegeven door: Vereniging Avifauna Groningen & de Gemeente Groningen - november 2001.
Te bestellen door 10 euro over te maken op gironr. 843924 t.n.v. Dienst RO/EZ te Groningen o.v.v. 'Stadsvogelrapport'.


Onlangs viel met een zware plof het rapport van de Werkgroep Stadsvogels bij mij op de mat. Opnieuw bleek dat een grote groep vrijwilligers jaren actief was geweest, in dit geval om het laatste terra incognita van het Nederlandse vogellandschap, de stad, in kaart te brengen. Het rapport bevat 34 pagina's met vele grafieken, tabellen en een aantal bijlagen in kleur.

In de jaren negentig ontstond een groeiende belangstelling voor ecologie in het stedelijke gebied. Ook in de Gemeente Groningen was dit het geval en daarom was het noodzakelijk om gegevens te verzamelen over de toestand van de natuur in de stad. Dit was de start van het project Broedvogelmonitoring. In 1993 zijn in 19 kleine afgebakende gebieden (telplots) broedvogels gekarteerd. Daarna zijn wisselend inspanningen gepleegd om hier en daar plots te tellen. Drie telplots zijn tot en met 2000 vrij consequent geteld.

Omdat het ondoenlijk was om de hele stad te tellen is de stad verdeeld in wijktypen met een gelijksoortig karakter wat betreft hoogbouw, laagbouw en hoeveelheid groen. In elk van deze types zijn een aantal plots geteld. Er is volgens de BMP-methode gekarteerd en van kolonievogels zijn tevens nesten geteld.

In 1993 zijn de meeste plots gelijktijdig geteld en op grond van deze inventarisaties is een schatting gemaakt van de aantallen broedvogels in de stad. Maar liefst 44 soorten zijn geteld, met een totaal van 26.000 paar. In volgorde van talrijkheid: Huismus, Merel, Spreeuw, Koolmees, Houtduif, Stadsduif en Kauw. Doordat de schatting gebaseerd is op extrapolatie van de gegevens kan er echter een scheef beeld ontstaan. Hoewel de auteurs weten dat er maar één paar Kuifleeuwerik in de hele stad en omgeving broedt, vermelden ze toch vijf paar! Bij een soort als Barmsijs (zeven paar) die een stuk minder opvallend is, is het natuurlijk de vraag hoeveel er in werkelijkheid zaten.

Uit een vergelijking van de wijktypen komen grote verschillen naar voren. Opvallend is dat in de wat oudere buitenwijken de dichtheid van vogels het grootst is. Dit komt door grote aantallen typische stadsvogels/holenbroeders zoals Huismus, Spreeuw, Stadsduif en Kauw. In de wat jongere buitenwijken is de soortenrijkdom het grootst. Dit hangt samen met de groenstructuur in die wijken. Hier komen ook meer aan water gebonden soorten voor, zoals Meerkoet en Kleine Karekiet.

In de wijken waar consequent geteld is kan een ontwikkeling door de jaren heen gezien worden. In Vinkhuizen blijken Merel, Huismus en Spreeuw bijvoorbeeld af te nemen. In de wijken waar minder vaak geteld is, ligt dit natuurlijk moeilijker en de auteurs zeggen dan ook van de wijken waar slechts één keer geteld is de ontwikkelingen niet te bespreken. Het was ook beter geweest de wijken waar twee of drie keer geteld is niet te bespreken. Bij bijvoorbeeld de Wijert-Zuid leidt dit namelijk tot vreemde uitspraken en getallen. Deze wijk is in 1995 geteld en er werden toen 15 soorten aangetroffen. In 1997 werd hier nogmaals geteld en werden maar liefst 25 soorten aangetroffen, 67% meer! Onder de nieuwkomers Koekoek! Waarschijnlijk parasiteerde deze in de wijk op Tjiftjaffen waar 15 paar van werden aangetroffen, een ongelooflijk hoge dichtheid van meer dan 1/ha. Ook bijvoorbeeld Ekster blijkt in '97 nergens algemener dan in de Wijert-Zuid. De auteurs vermoeden dat een toename van de hoeveelheid groen de oorzaak van deze grote stijgingen zou kunnen zijn. Beter zou zijn geweest als de auteurs met de laatste teller de resultaten nog eens hadden doorgenomen. De hoeveelheid groen is in werkelijkheid in deze wijk zelfs afgenomen doordat steeds meer mensen hun tuin opruimen en vervangen door schuttingen en (sier)bestrating.

Aparte hoofdstukken worden gewijd aan de parken en de industrieterreinen. Daarbij valt vooral de geweldige status van de Selwerderhof op. Met 48 soorten duidelijk de kampioen onder de parken. Na een korte bespreking van de kolonievogels volgt een lijst van alle broedvogels van de stad. Hiervoor zijn alle bekende gegevens uit de periode 1993 t/m 2001 op een rijtje gezet inclusief de gegevens van het SOVON-atlasproject. In totaal werden 94 soorten geteld waarvan acht Rode-lijstsoorten. Helaas broeden deze vrijwel allen aan de rand van de stad.

Bladerend door dit rapport blijf je je verwonderen over de vele soorten die zo dicht bij huis waargenomen kunnen worden. Natuurlijk stuit je op slordigheden en onvolkomenheden "waar zijn de Gekraagde Roodstaarten van het Sterrebos?", maar concluderend moet gezegd worden dat dit rapport voor de stadjer een leuke bron van informatie en inspiratie is. En ... er wordt natuurlijk gewoon doorgeteld.