13 | 12 | 2017

Vogels van Schiermonnikoog

door: Jan Allex de Roos

2005

schiermonnikoogStuurgroep Avifauna Schiermonnikoog (redactie) 2005.
VOGELS VAN SCHIERMONNIKOOG, GEZIEN - GETELD - OPGETEKEND.
Uniepers, Abcoude. 440 pagina's, vele illustraties. ISBN 90 6825 340 9.

Op een boek met de omvang van de nieuwe VOGELS VAN SCHIERMONNIKOOG (VvS) kan met gemak allerlei detailkritiek worden geleverd. Laat ik daar dan maar mee beginnen.

Op blz. 291 staat dat er op het eiland van de Grote Burgemeester 29 waarnemingen zijn gedaan, maar als we de genoemde maandtotalen optellen blijft de teller op 28 steken. De in minuscule, bruine letters gedrukte bijschriften van de figuren zullen voor veel (oudere) mensen moeilijk te ontcijferen zijn, vooral als het niet goed is gedrukt (zoals in mijn exemplaar op blz. 289). Op blz. 302 staat geschreven: 'De Zeekoet is op het eiland ook de talrijkste doodgevonden soort in vergelijking met de Alk.' Wat is dat voor zin? En dat geldt ook voor passages uit de Inleiding op blz. 7, bijvoorbeeld 'in navolging van 2001'. Een jaartal lijkt me niet na te volgen. In de Literatuur wordt de Zwartkeellijster die M. Swart en A. Ferwerda op 9 oktober 1982 tegen het lijf liepen (Limosa-bijdrage) toegeschreven aan een zekere Zwart, waardoor de vermelding niet meer na te trekken valt. Ook op blz. 349 wordt Swart tot Zwart. Een artikel van Bakker en Bos staat dubbel in de lijst en bij Kersten 1997 is een vervelende harde return blijven hangen. Iets kwalijker is wellicht dat het lijkt alsof de auteurs geen gebruik hebben gemaakt van de jaarlijks verschijnende SOVON-broedvogelrapporten. In de literatuurlijst staan die niet vermeld en het is vreemd dat in het boek voor de Noordse Stern, bijvoorbeeld, een aantal van 456 broedparen wordt genoemd, terwijl het SOVON-rapport van dat jaar niet verder komt dan 125. De melding van 230 Kleine Zwanen naar oost trekkend op 7 mei 2000 had misschien beter moeten worden nagetrokken, want het lijkt onwaarschijnlijk dat er op dat late tijdstip nog Kleine Zwanen trekken in dergelijke aantallen. Het boek SCHAARSE VOGELS IN FRYSLÂN (Versluys 2002) lijkt niet te zijn gebruikt in de soortbesprekingen en staat niet in het hoofdstuk Literatuur. In het artikel over de Bruine Kiekendief wordt twee keer een maximum aantal broedparen opgevoerd, 32 en 27. Het echte maximum is die 32, denk ik. Zoekfuncties van internetsite als lauwersmeer.com lijken niet te zijn gebruikt, met name niet bij het zoeken naar waarnemingen van zeldzame soorten (Dwerggans, Drieteenmeeuw). Als dit wel was gedaan, zouden de aantallen hoger zijn uitgekomen. En ten slotte, de 80 kleurenfoto's in het boek zijn niet optimaal afgedrukt (ik denk in drie kleuren in plaats van vier) waardoor ze de indruk maken wazig te zijn - ik vind dit in onze tijd van glasheldere digitale fotografie moeilijk te vergeven.

Tot zover de detailkritiek, want wat betekenen deze fouten en omissies voor de algemene indruk die VvS achterlaat? Niet veel.
Voor ons ligt een fraai geïllustreerde pil van een vogelboek dat uiteenvalt in verschillende delen. Na de obligate eerste drie hoofdstukken (Voorwoord, Inleiding, Werkwijze en verantwoording) volgen zestien (sub)hoofdstukken over allerlei aspecten van het eiland Schier en zijn vogels: Ontwikkeling van landschap en vegetatie, Beheer, Veranderingen in de broedvogelbevolking, Zeetrek, Ringonderzoek aan zangvogels, Arctische steltlopers, Hoogwatertellingen, De Eendenkooi, Ganzenonderzoek, Ganzen als grazers, Kiekendief, Banckspolder, Groninger biologen in de meeuwenkolonie, Lepelaaronderzoek, Scholeksters en Spreeuwen. Deze sectie van VvS is fascinerend - het gaat vaak om baanbrekend onderzoek en de verhalen zijn spannend en leesbaar, meestal geschreven door de mensen die er het dichtst bij staan. Zo is Klaas van Dijk verantwoordelijk voor het hoofdstuk 'Hoogwatertellingen van wadvogels', Bart Ebbinge voor 'Het begin van het ganzenonderzoek op Schiermonnikoog', Rudi Drent voor 'Groninger biologen in de meeuwenkolonie', Jan Hulscher voor 'Hoe de Scholeksters op Schiermonnikoog in de burgerlijke stand terechtkwamen' en Joost Tinbergen voor 'Spreeuwenwerk'.

De kern van een dergelijke streekavifauna, de systematische soortbeschrijvingen, neemt de bladzijden 156 tot en met 412 in beslag. Het eerste wat opvalt, is dat de redactie ervoor heeft gekozen om de soortteksten uit het oude KNNV-boekje van R. Mooser DE VOGELS VAN SCHIERMONNIKOOG (1973) integraal op te nemen, in een andere kleur en een kleiner lettertype dan de hoofdtekst. Dit is een goede zet omdat het op deze manier mogelijk is om zonder moeite een oude en de nieuwe situatie te vergelijken. De tekeningen van Jos Zwarts zijn fraai en bij de broedvogels is een verspreidingskaartje voor de situatie in 2001 opgenomen. Alle behandelde soorten zijn voorzien van wetenschappelijke, Friese, Duitse, Engelse en Franse namen. Hierin kan ik geen enkele fout ontdekken en dat is heel bijzonder.

VvS bevat voor de in het eiland Schiermonnikoog geïnteresseerde vogelaar en natuurliefhebber een schat aan gegevens en de redactie verdient een groot compliment voor het feit dat ze kans heeft gezien dit alles samen te vatten in zo'n mooi boek (er zijn tenslotte voldoende van dit soort projecten te noemen die nooit zijn uitgevoerd). Een onmisbare aanschaf voor de vele Groningers die de korte reis naar het Friese Schier regelmatig maken.