22 | 10 | 2017

Zomer in het poolgebied

door: Arjen Drost

Relictbukta, Duvefjord Nordaustlandet, Spitsbergen
80°20'NB 23°05'OL

Als mijn wekker gaat om 7:45, zitten de meeste toeristen al aan hun ontbijt. Ik kan echter nog wel even blijven liggen, de eerste briefing is pas over drie kwartier. Als ik mijn bed uitga en uit mijn patrijspoort kijk, zie ik hoge bergen, met spitse toppen, en gletsjers die bijna in zee uitkomen. De zee in de baai is nog bevroren en verder ligt er overal nog veel sneeuw. Het is half juli en de zomer moet hier eigenlijk nog beginnen. Hier is Relictbukta, een baai in een fjord in het noorden van Nordaustlandet, het op een na grootste eiland van de Spitsbergen-archipel, slechts ruim 1000 kilometer van de Noordpool.
Toen Rinie van Meurs, de expeditieleider en dus mijn directe baas, gisteren zei dat we weer naar Relictbukta gingen, wist ik niet of ik daar echt blij mee moest zijn. Twee jaar geleden waren we hier ook geweest, tot nu toe mijn enige keer. Die keer was echter erg bijzonder, bijna magisch. Het was een landing laat op de avond, laat in het seizoen. Het licht was erg bijzonder en versterkte het verlaten landschap alleen maar. En het was natuurlijk maar de vraag of het nu weer zo mooi zou zijn. Maar goed, we zijn er nu, dus laten we maar het beste ervan maken.

Het begin is in ieder geval al goed. Tijdens de briefing vertelt Rinie dat er al een beer gezien is. Daar gaan we dus eerst kijken. In de zodiacs dus eerst naar de gletsjer waar de beer voor het laatst gezien is. Eerst wordt onze aandacht getrokken door een grote groep Eiders die langs vliegt. Helaas zitten er geen Koningseiders tussen. Op de gletsjer kunnen we het spoor van de beer goed volgen. Hij is omhoog gelopen en even later hoor ik dan ook over de radio dat de beer gevonden is. Helaas, weer iemand anders die me voor is. Ik wil dit jaar graag een goede beer vinden, maar Rinie is me meestal voor. Hij heeft dan ook al wat meer ervaring dan ik (een jaartje of 10 meer). Echt erg spectaculair is deze beer echter ook niet. Hij ligt hoog op de gletsjer te slapen en is nauwelijks geínteresseerd in ons. We laten hem dan maar ook snel voor wat hij is en varen verder. Later, tijdens de lunch vraagt een van de toeristen of deze beer te ver weg was om ernaar toe te lopen. Dit is natuurlijk niet toegestaan, beren kunnen erg gevaarlijk zijn, we lopen niet voor niks met geweren en zware alarmpistolen rond. Door aan land te gaan brengen we niet alleen ons zelf, maar vooral ook de beer in gevaar, hij is namelijk meestal degene die het onderspit delft.

We varen verder, ietsjes naar het zuiden naar een nieuwe baai, Minebukta. Deze is nog volledig bevroren. Ik zie de toeristen genieten van dit echte arctische landschap, veel ijs, verlaten. Wij, de gidsen, speuren meteen het ijs af op zoek naar zeehonden of ander leven. Ver weg op het ijs zie ik twee kleine witte stipjes bewegen. Poolvossen? Maar die zijn toch alleen wit in de winter? En die komen in de zomer toch niet op het ijs? Snel zet ik mijn zodiac op neutraal en kijk ik nog eens. Nu zie ik duidelijk een IJsbeer lopen. Ik kijk nog eens en roep: "IJsbeer daar!" In mijn opwinding vergeet ik zelfs dat er bijna niemand Nederlands spreekt, maar de boodschap komt over. Eindelijk mijn eigen beer, nu nog hopen dat we er een goede blik op kunnen werpen. Maar ik zag toch twee stipjes? Ik scan nog eens het ijs af en vind een stuk achter de grote beer inderdaad nog twee jonge IJsberen lopen. Een moeder met twee jonkies dus! Ze zijn nu nog vrij ver bij ons vandaan, maar als ze de kust blijven volgen, zoals ze nu doen, komen ze vanzelf aan de rand van het ijs, en daar kunnen wij ze opwachten. Dit lukt inderdaad.
Langzaam maar zeker komt de berenfamilie steeds dichter naar ons toe gelopen. In de zodiacs zijn we veilig, ze zullen ons daar niet aanvallen. Bij de rand van het ijs aangekomen gaan langs de kust verder. Daar ligt nog een randje sneeuw waar ze overheen lopen. Wij kunnen op een afstandje van tien meter volgen. De beren schijnen hier geen probleem te hebben. Meestal lopen ze gewoon rustig door, soms stoppen ze even om te kijken naar die vijf vreemde zwarte dingen in het water. Ze lopen onder een grote Drieteenmeeuwenkolonie langs, maar om de een of andere reden heeft niemand het daarover. Een van de jonge beren vindt echter de vleugels van een dode Drieteenmeeuw en komt daar erg trots mee aanzetten. Waarschijnlijk is het de eerste vangst van deze zes maanden jonge beer. Dat de vogel al dood was, maakt voor haar (of hem) natuurlijk niet uit. Als hij (of zij) de vleugels laat vallen, komt zijn broertje (of zusje, dat is bij beren moeilijk te zien, en bij jonge zo goed als onmogelijk) snel even kijken en speelt er nog even verder mee.
Intussen doen wij ons best om de toeristen, en onszelf natuurlijk, een zo'n goed mogelijke blik te gunnen op dit unieke spektakel, zonder daarbij de andere boten in de weg te zitten. Voor ons geeft dit, het de toeristen laten genieten, een bijna net zo'n grote kick als het zien van de beren zelf. Al is dit natuurlijk wel erg speciaal. We hebben alle drie, Rinie, Olle en ik, met al onze ervaring (samen vele honderden reizen) nog nooit een moeder met zulke jonge beren zo lang, van zo dichtbij kunnen volgen. Er worden zoveel foto's gemaakt dat zelfs de echte fotografen anderen moeten vragen of die misschien nog wat rolletjes over hebben omdat ze er zelf doorheen zijn. Ook wij schieten er natuurlijk rustig op los.
Na bijna een uur bereiken ze de volgende, met ijs bedekte, baai, Relictbukta. Hier moeten we ze natuurlijk laten gaan. Maar we blijven ze nog wel, op steeds grotere afstand bekijken. Er liggen namelijk vier Baardrobben op het ijs, en misschien gaat de moeder nog wel proberen er eentje te vangen. Helaas voor haar, en ons, zijn de robben hier niet van gediend en een voor een duiken ze in het water.

Voor ons was er nu niet veel meer om te blijven. Er is met zoveel ijs natuurlijk geen mogelijkheid om aan land te gaan en over een niet te lange tijd worden we weer aan boord verwacht voor de lunch. Er is echter nog wel tijd om even bij het fjord ijs te gaan kijken, misschien ligt daar ook nog wat. Op weg hier naartoe passeren we verschillende Dikbekzeekoeten die in het fjord zwemmen en dichtbij het ijs zwemmen een paar Zwarte Zeekoeten. Op het ijs is ook genoeg te beleven. Ik tel al snel een stuk of twintig zeehonden, voornamelijk Baardrobben en een paar Ringelrobben. Ook zitten er verschillende Grote Burgemeesters en zelfs een Ivoormeeuw. Al snel laten we deze voor wat ze zijn en varen we weer terug naar de Molchanov. Intussen ben ik erg blij dat we terug zijn gegaan naar Relictbukta, ik heb eindelijk mijn goede beer gevonden, en de goede herinneringen zijn zeker niet vervaagd.

Intussen is het zo'n tien dagen later en we zijn weer terug in Relictbukta. Iets wat op zich al bijzonder is want meestal is deze plek zo goed als onbereikbaar vanwege het pakijs. We zijn nu met een nieuwe groep toeristen, waaronder mijn moeder. Ik vind het helemaal niet erg om terug te gaan, ik wil zo'n mooie plek graag aan mijn moeder laten zien, en wie weet wat er nu weer voor verrassing zit.

De baai ziet er heel anders uit nu. Veel van de sneeuw is gesmolten en al het ijs in de baai en in het fjord is weg. We kunnen nu dus overal waar we willen aan land. Of niet? Als we met onze zodiacs door de zeer nauwe opening de echte baai binnen varen - dagen geleden konden we vanwege het ijs niet eens in de buurt van deze baai komen - wordt de eerste beer alweer gevonden. Ondanks dat hij van ons weg loopt gaan we daar dus niet aan land. Na even naar deze beer gekeken te hebben gaan we verder de baai in.

In de baai vliegt een groep Eidereenden, dezelfde als 10 dagen geleden? Ook vliegt er een Grote Burgemeester rond. Verder is het er vooral erg leeg en stil. Alleen de motoren van onze zodiacs verbreken de stilte. Aan de andere kant van de baai ligt nog een beer te slapen. Deze beer is kennelijk erg moe, want behalve even opkijken naar die vreemde zwarte gingen in het water doet hij niet echt veel. Tussen deze twee beren in weten wij toch nog een veilig plekje te vinden om aan land te gaan.
Hier kunnen we goed van dit hoog arctische landschap genieten. Het is een erg kaal landschap met overal stenen. Een paar grote rotsblokken staan rechtop. Maar er liggen vooral veel kleine platten stenen op de grond. Deze komen van die grote rotsblokken die uit kleine laagjes bestaan. In de winter, als het echt koud is, dan bevriest het water in de stenen, zet uit en breekt zo de stenen kapot. Ondanks het schijnbare gebrek aan grond, water en voedingsstoffen zijn er toch een paar plantjes die hier weten te groeien. Het is dus intussen echt zomer geworden. De zomer is hier erg kort, duurt slechts zo'n 30 dagen en in die tijd moeten de planten hun hele cyclus volbrengen. Het is altijd erg verwonderlijk dat er nog planten zijn die in zo'n vijandig gebied weten te overleven. Een paar Spitsbergen Papavers en Rode Steenbreken bloeien er. Maar verder is vooral de leegte en de stilte overweldigend.
We zijn intussen met nog maar een vrij klein groepje, een stel was zo koud geworden van de tocht in de zodiac dat ze terug gekeerd zijn naar het schip. Rinie en Olle gaan met de overige toeristen een heuvel op, ik blijf nog even wat achter om wat foto's te nemen en om van de stilte te genieten. Telkens kijk ik om me heen, wat doet de slapende beer? Komt de eerste beer terug? Is er misschien een derde beer? We lopen dan wel met geweren en alarmpistolen rond, maar ik gebruik ze toch liever niet. Ineens zie ik weer wat bewegen in de verte, twee kleine stipjes. Het zou toch niet weer hè? Ik kijk nog eens goed, maar het is eigenlijk net te ver om het goed te kunnen zien. Maar de kleur en het gedrag lijkt toch meer te duiden op Rendieren. Rendieren? Hier? Maar er is nauwelijks wat te eten voor ze? Hoe ze overleven weet ik niet, dat heb ik me al vaker in zulke gebieden afgevraagd. Dat ze hier voorkomen hadden we al wel gezien aan de keutels en de sporen. Ik kijk nog eens, en kan er echt niks anders van maken, maar het blijft ver. Snel ga ik terug naar de groep. Iedereen is onder de indruk van dit verlaten landschap en de stilte, ik ook. De magie van mijn eerste keer op deze plek heerst hier nog steeds. Deze plek stijgt met stip naar de top van mijn mooiste plekken op Spitsbergen. Waarom? Uitleggen kan ik het niet. Daarvoor zul je, net als mijn moeder, een keer mee moeten gaan…

Kvikkjokk, Noord Zweden
66°57'NB, 17°43'OL

Het is een paar weken later en ik ben weer terug in het Noordpoolgebied. Slechts een paar kilometer boven de Poolcirkel, maar toch. Dit keer ben ik alleen. Om een stuk te wandelen en om van de natuur en de stilte te genieten. Zonder andere mensen om me heen dit keer.

Als ik in Murjek uit de trein stap begint het meteen al goed. Twee Kleine Zwanen komen trompetterend overgevlogen. Omdat ik nu een stuk zuidelijker zit, is de natuur een stuk rijker. Overal om me heen hoor ik vogeltjes. Hier loopt de zomer tot een eind, overal zie ik juveniele vogels in de bomen zitten.
Na een paar uur in de bus kom ik in Kvikkjokk aan, een klein plaatsje aan het begin van mijn wandeling. Kvikkjokk, zo vertelt de bazin van de camping, heeft slechts 16 permanente inwoners. Het ziet er een stuk groter uit dan dat, maar dat zijn dus allemaal zomer huisjes. Overal vliegen kwikstaarten rond, zowel Witte als Noordse Gele. Van de laatste zie ik vooral jonge vogels, maar al wel met de gele kleur op de buik. Als ik even wat rondloop kom ik overal wandelaars tegen. Kvikkjokk ligt aan de Kungsleden, zeg maar het Pieterpad van Zweden en ook de wandeling waar ik een stukje van ga doen.
Een van de meest opvallende dingen in Kvikkjokk is de kerk. De buitenkant is helemaal van hout, met een soort houten "dakpannen" over elkaar heen op de muren. Iets anders wat me opvalt is dat op de begraafplaats bij de stenen van een graf voor echtparen, de naam van de, nog niet overleden, echtgeno(o)t(e) er ook al bij staat. Met al de geboortedatum, zodat alleen de sterfdatum nog ingevuld moet worden. Zou mij toch niks lijken, alsof je al half dood bent.

Dezelfde mevrouw van de camping weet me te vertellen dat de beroemde Zweedse bioloog Carl von Linné (Linneaus) ooit op de trap van de kerk heeft gestaan, uitkijkend over een van de valleien en dit de poort naar de Zweedse bergen noemde. Bij het bergstation, waar ik nog even wat inlichtingen inwin over de boottijden over sommige meren, krijg ik wat post in mijn handen geduwd. Of ik dit mee wil nemen en aan de huttenwachten onderweg wil geven. Zo word ik dus ook postbode.
Buiten het bergstation hangt een weegschaal. Ik ben wel benieuwd naar het gewicht van mijn rugzak en hang hem eraan. Het blijkt 27 kilogram te zijn, niet slecht. Als ik hiermee bezig ben, vliegen er een paar Taigagaaien rond. Mooie vogels, bruin met oranje. Ook zitten er veel Barmsijzen en Blauwborsten in de bomen, vooral juveniele. Als ik 's avonds na het eten nog even een kleine wandeling door de bossen buiten Kvikkjokk maak hoor ik al snel iets onhandig wegvliegen. Je weet wel, net als een houtduif uit een boom wegvliegt. Ik kijk eens, en in plaats van een duif blijkt het een Hazelhoen te zijn. Zacht fluitend blijft ze op een tak zitten, naar mij te kijken. Een paar takken verder zat het mannetje verscholen. Na een paar minuten vliegen ze toch weg. Een goed begin dus van de vakantie.

Vuomajåkka, Noord Zweden
67°16'NB 18°28'OL

Het is nu een paar dagen later en ik zit op een steen uitkijkend over een vallei. Het is hier oorverdovend stil. Zo stil dat ik eigenlijk bang ben om rond te lopen, of zelfs om adem te halen. Bang om de stilte te verbreken. Hoor ik dan niets? Jawel, er stroomt een beekje, er zoemen muggen en een keer hoor ik een Alpensneeuwhoen. Hier zittend kijk ik terug op de afgelopen dag.
Vandaag weer een mooie etappe gelopen. Eerst heb ik lekker uitgeslapen, het regende toch. En aangezien ik mijn regenjas vergeten heb, is lopen door de regen niet echt een goed idee. Als ik dan eindelijk toch mijn tent uit kom, is het best wel weer mooi weer. Als ik even op mijn geímproviseerde toilet zit (een stapel stenen) vliegt er ineens iets groots over mijn hoofd. Zul je altijd zien, zit je net lekker met je broek op je enkels, vliegt er een Visarend over. Gelukkig kan ik nog net op tijd bij mijn kijker komen om hem toch nog even goed te zien.
Het is 3 uur dat ik eindelijk mijn rugzak op mijn rug hijs en weer op pad ga. Het eerste stuk gaat nog door de fjälls met mooie uitzichten om me heen. Na een tijdje lopen begint het te dalen, eerst langzaam en dan behoorlijk stijl. Mijn knieën beginnen alweer pijn te doen, iets waar ik niet blij mee ben. Hier heb ik nog nooit last van gehad, maar sinds de eerste dag, toen ik regelmatig van steen tot steen moest springen heb ik hier wel last van. Waarschijnlijk een beetje overbelasting, door mijn zware rugzak. Maar ja, ik moet wel door. Langzaam waggel ik door. Soms gaat de pijn weer weg en kan ik gewoon doorlopen, soms gaat het veel moeilijker. Ik neem me voor om de volgende keer wandelstokken mee te nemen, dat schijnt te helpen.

Als ik een stuk ben afgedaald kom ik weer in het bos terecht. Vanuit de hoogte kon ik al zien dat een grote groep soldaten hun kamp had opgeslagen bij het meer. Dit meer, Silajaure kan ik op twee manieren oversteken. Ten eerste kan ik het met een roeibootje doen, maar dit houdt echter in dat ik de 4 kilometer drie keer moet roeien, omdat aan elke kant een bootje moet blijven liggen. Voor €10,- kan ik me echter ook met een motorbootje over laten zetten. Dat lijkt mij wel zo handig. Bij het meer aangekomen hijs ik een jerrycan in een boomstam om zo aan te geven dat ik graag over wil. Ik loop naar de aanlegsteiger en ga daar zitten wachten tot iemand aan de overkant de jerrycan opmerkt.
De steiger wordt gebruikt door militairen die zich druk aan het wassen zijn.
Als ik hier een tijdje zit, zie ik ineens een gorsje aan vliegen. Hij gaat in een struikje zitten en laat zich goed bekijken. Het blijkt een vrouwtje Bosgors te zijn. Die komt hier wel vaker voor, maar is altijd lastig om te vinden. Als ik mijn camera wil pakken vliegt hij weg. Er komt nu een vrouwelijke militair aan die zich ook gaat wassen. Helaas voor mij laat zij zich iets minder bekijken dan de Bosgors. Al snel komt er een klein bootje aan die mij mee neemt naar de overkant. Onderweg zie ik een paar Smienten en een Grote Zee-eend. Aan de andere kant staan een paar huisjes waar ik mijn waterfles bijvul en wat chocolade koop. Ik moet nu weer een stukje klimmen, iets wat mijn knieën ook niet echt leuk meer vinden. Onderweg zie ik wat Roodsterblauwborsten, wat meesjes en een Kleine Bonte Specht. Na een paar honderd meter klimmen ben ik weer boven de boomgrens. De fjälls lijken wel een beetje op de toendra van Spitsbergen. Dat beeld wordt nog versterkt als ik een klein wit stipje op een berg vind. Nee, geen IJsbeer natuurlijk, maar wel een Kleinste Jager, een vogel die ik ook van Spitsbergen ken.

Even verder zie ik wat rendierkeutels en ook nog een rendiergewei. Een tijdje later zelfs ook nog een paar Rendieren. Dit zijn wel gedomesticeerde dieren, en ook duidelijk van een andere ondersoort dan die van Spitsbergen, met duidelijk langere benen. Mijn doel voor vandaag is een plekje te vinden bij de Vuomajåkka. Geen idee of het daar mooi is, maar dan heb ik in ieder geval water in de buurt. Nog even doorlopen dus. Het blijkt echt een geweldige plek te zijn. Als ik aankom zie ik nog een tentje ergens staan in de verte, maar op het plekje dat ik uitkies om te overnachten zie en hoor ik helemaal niets. Ik ga snel koken en loop dan nog even rond. Het is hier echt geweldig, helemaal alleen hier rondlopen. Alleen maak ik veel te veel lawaai, vind ik zelf. Al snel heb ik een mooie steen gevonden waar ik op kan gaan zitten.

En daar zit ik dus op mijn steen en denk na over de afgelopen zomer, beginnend in Aberdeen, en via Spitsbergen eindigend hier op deze steen. Toen ik eind juni in Spitsbergen aankwam moest de zomer daar nog beginnen. En nu is het eind augustus en zit ik in Zweden en kleuren de bergen oranje van de herfstkleuren en zie ik de eerste sneeuw op de bergtoppen. De zon zakt steeds verder en verdwijnt achter de horizon. Ze verlicht alleen nog de toppen van de bergen, die eerst langzaam oranje kleuren en dan rood. Telkens als ik weer kijk ziet het er anders uit. Tot de zon echt onder is en het donker wordt. Morgen moet ik nog ruim 10 kilometer lopen en dan ben ik weer in de beschaving. Na een paar dagen luieren vertrekt mijn trein en kan het normale leven weer beginnen. Het normale leven ja, maar het echte leven, dat is hier, boven de poolcirkel.

Volgend jaar ga ik zeker weer terug naar het echte leven!

____________________

Voor meer informatie en foto's over Spitsbergen zie mijn homepage op: http://www.natureview.nl

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen