17 | 08 | 2017

Frankrijk, La Brenne

Verslag zomervakantie juni/juli 2015

door: Rob Lindeboom

LA BRENNE, een paradijs voor vogelaars

Inleiding

Via een vogelende kennis en collega werd ik gewezen op de vogelrijkdom en de aanwezigheid van bijzondere vogels in het gebied La Brenne gelegen in het Departement Indre in de Regio Centre in Frankrijk. Een mooie vakantiebestemming voor ons tijdens de zomervakantie (eind juni/begin juli) in 2015. Het Parc naturel régional de la Brenne ook wel bekend als “het land van duizend meren” is niet alleen een lustoord voor vogelaars, maar ook voor andere natuurliefhebbers als floristen, entomologen (libellen en vlinders) en reptielen- en amfibieënliefhebbers. Het park, dat sinds 1989 de status regionaal natuurpark heeft, wordt gekenmerkt door een afwisseling van meertjes (ruim 1.200 zogenaamde Étangs), extensieve weilanden, heggen en houtwallen, struikrijke heides en eikenbossen. Het gebied ligt op circa 300 km ten zuiden van Parijs en bevindt zich tussen de steden Poitiers en Châtellerault aan de westzijde en Châteauroux aan de oostzijde (zie figuur 1).

Ligging van Parc naturel régional de la Brenne t.o.v. dichtstbijzijnde grote steden Châtellerault, Châteauroux en Poitiers
Fig.1: Ligging van Parc naturel régional de la Brenne t.o.v. dichtstbijzijnde grote steden (Google Maps)

Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de rivier de Anglin en de Limousin en aan de noordzijde door de rivier de Indre en de bosrijke streek La Sologne en vervolgens de rivier de Loire. De stad Le Blanc ligt centraal in La Brenne. De 47 verstilde dorpen van het 166.000 ha grote park zijn dun over het plateau uitgezaaid en tellen in totaal 31.000 inwoners wat minder is dan 20 inwoner/km². Het regiopark zelf is nog weer onder te verdelen in het kleirijke en daarmee merenrijke noordelijk deel, hetgeen door de rivier de Creuse gescheiden wordt van het heuvelrijker en kalkrijke zuidelijke deel. Het noordelijke deel is interessanter voor vogelaars, terwijl het kalkrijke zuidelijke deel interessanter is voor floristen. Ik wil me hieronder beperken tot de vogels en het landschap in het noordelijke merenrijke deel.

Meer met drijvende vegetatie in natuurreservaat
Meer met drijvende vegetatie in natuurreservaat (foto Rob Lindeboom)

Historie

De vorming van het huidige landschap in La Brenne begon al in de vroege middeleeuwen. In het toen nog bos- en moerasrijke gebied werd intensief hout geoogst. Dit hout werd voor de groeiende bevolking in Frankrijk gebruikt als constructiehout en brandhout en voor productie van houtskool (benodigd voor ijzerproductie in deze omgeving). Tevens was de ontbossing nodig voor de opkomende beweiding met koeien en, vooral, schapen. Doordat bomen water opnemen uit de grond werden, door de massale houtkap èn de aanwezigheid van een ondoordringbare kleilaag onder de zandige deklaag, de aanwezige moerassen in de kommen alsmaar groter. De middeleeuwers wilden de moerassen zoveel mogelijk ontwateren om daarmee meer weidegrond voor het vee te scheppen. Ze hadden het lumineuze idee opgevat om de moerassen in de kommen te vergraven tot vijvers. Daartoe werden de diepste delen van de moerassen nog dieper gegraven en werd op het laagste punt een dijkje aangelegd. De in La Brenne aanwezige kleilaag zorgde ervoor dat het water niet in de bodem verdween. De gegraven vijvers dienden voor de kweek en vangst van vis. In die tijd was dat zeer slim, want aan de kust gevangen vis was tegen de tijd dat het met paard en wagen in het binnenland was aangekomen al lang verrot. Zo hadden de bewoners van La Brenne niet alleen vers vlees (koeien en schapen), maar ook verse vis èn, omdat de moerassen en vijvers grote aantallen vogels aantrok, ook vers gevogelte. Uiteraard konden ze dat ook verkopen in de groeiende steden in de directe omgeving.

Purperreiger
Purperreiger (foto Ana Buren)

Het kweken van vis in de vijvers heeft in de loop van de eeuwen veel ups en downs gekend. Zo werd gedurende de Franse revolutie de visteelt in La Brenne verboden en stortte deze voor de lokale economie zeer belangrijke activiteit volledig in. Zeer veel meren vielen droog; dammen en sluizen raakten in verval. Pas sinds 1950 herstelde de visteelt zich weer langzaam. De Groene Revolutie (intensivering landbouw en visserij) in Europa in de tweede helft van de 20ste eeuw is uiteraard ook het Franse platteland niet voorbij gegaan. Dit was echter wel het geval voor het noordelijke deel van La Brenne voor wat betreft de landbouw. De voedselarme zandbodem met slecht waterdoorlatende kleilaag daaronder heeft ervoor gezorgd dat er praktisch uitsluitend extensieve veeteelt (Limousins; vleesvee) plaatsvindt. Dat betekent veelal extensieve begrazing en uitsluitend bemesting met ruige mest. Dit betekent ook dat grote delen van het landschap, die niet gebruikt worden voor vlees- of visteelt, bedekt worden door eikenbos en, vooral, struiken. En dat de extensieve veeteelt plaats laat voor heggen en houtwallen.

Meren

De meeste meren in La Brenne zijn in bezit van particulieren en worden veelal gebruikt voor viskweek. Een aantal meren behoren tot natuurreservaten en worden daarmee niet meer gebruikt voor de viskweek. Een voorbeeld daarvan zijn de meren in het Nationale Natuurreservaat Chérine (circa 10) dat ten zuidoosten van het dorp St-Michel-en Brenne ligt. Een derde groep van meren is in bezit van gemeenten en of particulieren, die de meren (betaald) beschikbaar stellen aan hengelaars. De meren, die wel door particulieren gebruikt worden voor de viskweek, worden veelal jaarlijks in herfst of winter geoogst. Hiertoe wordt de sluis in de dijk aan de laagste zijde van het meer opengezet en laat men het meer grotendeels leeglopen via een afwaterende sloot naar een lager gelegen meer. Uiteraard wordt voorkomen dat de vis mee spoelt. Als het meer vervolgens voldoende is leeggelopen kan men vervolgens relatief eenvoudig de in het diepere deel van het meer verzamelde vis oogsten, waarbij alleen de verkoopbare vis wordt gevangen. Het meer vult zich vervolgens weer met afstromend regenwater uit de directe omgeving en/of water uit een hoger gelegen vijver.

Particulier meer voor kweken van vis met rand van bomen en bossages
Particulier meer voor kweken van vis met rand van bomen en bossages (foto Rob Lindeboom)

Eens in de ongeveer 10 jaar wordt een vijver een jaar lang geheel droog gezet. Dit is de manier om een vijver op te schonen van plaagsoorten op gebied van vis (b.v. meerval) of planten, om onderhoud te doen aan de dijk en/of sluis en om overtollige modder te verwijderen. Na een jaar leegstand wordt de vijver weer gevuld met regenwater. Hierboven is al aangegeven dat de mate van de viskweek in de meren sterk afhangt van de eigenaar. In de meren van natuurbeheerders wordt helemaal geen vis meer gekweekt (maar is natuurlijk nog wel vis aanwezig). Sommige particuliere eigenaren doen aan zeer intensieve viskweek, waarbij de vissen dagelijks vanuit voederautomaten worden bijgevoerd en de vis jaarlijks wordt weggevangen. Andere eigenaren hebben een meer voor de mooiigheid of voor de hengelsport. De actief gebruikte meren zijn dan ook voor de flora en dikwijls ook voor de fauna weinig interessant. De niet gebruikte meren zijn dat wel. Hierin kunnen de water- en oeverplanten zich ontwikkelen en bieden ze goede biotopen voor tal van vogels, reptielen (Europese moerasschildpad), amfibieën en ongewervelden.

Vogels op en rondom de meren

De aanwezigheid van (veel) vis en insecten in en boven de meren heeft natuurlijk een grote aantrekkingskracht op vis- en insectenetende vogels. In het natuurreservaat Chérine bevinden zich kolonies van broedende reigerachtigen (Kleine zilverreiger, Kwak, Koereiger en Purperreiger) en kolonies van Witwangstern, Kapmeeuw en Aalscholver. In het riet kunnen vanuit de talrijke, veelal hooggelegen, schuilhutten Waterral, Grote karekiet, Woudaapje, Kleine karekiet uitstekend worden waargenomen.

Kwak
Kwak (foto Ana Buren)

Van deze laatste soorten gaat het niet om enorme aantallen. Ook eerstgenoemde soorten kunnen vanuit de aanwezige schuilhutten uitstekend worden waargenomen met telescoop (kolonies) en verrekijker (individuen). In het vogelhoogseizoen wemelt het in de schuilhutten dan ook van Franse, Nederlandse en Engelse vogelfotografen. De genoemde koloniesoorten zwermen vanuit de beschermde kolonies uit naar de omliggende meren en/of weilanden met koeien (Koereiger). Zo heb ik in het natuurreservaat twee kolonies met Witwangsterns op de drijvende vegetatie kunnen waarnemen, maar trof ik individuen van deze soort bij ieder bezocht meer aan. Op praktisch ieder meer zijn Meerkoet, Knobbelzwaan en Fuut aanwezig. Op enkele niet beschermde, grote open meren, soms, in grote aantallen. Eendensoorten als Krooneend, Tafeleend, Kuifeend, Krakeend, Slobeend en Wilde eend bevonden zich vooral op de beschermde en open meren. Rond (beschermde) meren, die niet (geheel) omgeven zijn, door houtgewas, werden Steltkluten en Kieviten met jongen aangetroffen. Boven de meren volop Zwarte wouwen en, vooral in het reservaat, Bruine kiekendieven. Van Grote zilverreiger en Blauwe reiger heb ik geen kolonies gezien. Echter rondom de meren waren ze volop aanwezig. Ralreiger schijnt ook aanwezig te zijn, maar het is mij niet gelukt ze te spotten. Ook voor het Woudaapje heb ik heel veel moeite moeten doen om deze te kunnen horen en in enkele flitsen te kunnen zien (vliegend vlak boven het riet laatste avond in schuilhut in reservaat). Roerdomp heb ik niet gehoord of gezien maar moet er ongetwijfeld in kleine aantallen aanwezig zijn. Ook de Geoorde fuut en Dodaars heb ik niet gezien of gehoord, maar schijnen wel degelijk (in o.a. de Kapmeeuwkolonies) aanwezig te zijn.

Witwangstern
Witwangstern (foto Ana Buren)

In de hogere vegetatie direct rondom de meren zijn ook allerlei leuke soorten aanwezig. Helaas waren wij laat in het (zang)seizoen, zodat we niet alle soorten zingend hebben kunnen treffen. Wielewaal hebben we wel op meerdere plaatsen roepend aangetroffen en ook de Cetti’s zanger verraste nog enkele keren met zijn explosieve zang. Soorten als Nachtegaal, Rietzanger en Graszanger hebben we niet zingend kunnen waarnemen.

Weidelandschap met kleine heuvels, Limousinkoeien en vijver ten noorden van Rosnay
Weidelandschap met kleine heuvels, Limousinkoeien en vijver ten noorden van Rosnay (foto Rob Lindeboom)

Vogels van weiden, houtwallen en heggen

De weiden in het gebied worden of (extensief) begraasd of laat (half/eind juni) gemaaid en zijn veelal omgeven door heggen en/of houtwallen. Bemesting vindt, voor zover ik kon zien, alleen met ruige mest plaats. Ook in de weilanden zelf, die soms grenzen aan meertjes, staan vaak vrijstaande of groepjes struiken. De door ons meest in en rondom de heggen en houtwallen aangetroffen vogelsoorten waren Roodborsttapuit en Grasmus. In de struiken in de weilanden werd regelmatig Grauwe klauwier aangetroffen. Hoewel het aantal daarvan, gezien het zeer geschikte landschap en de vele insecten, tegenviel. Mogelijk had deze soort slechte overwinteringsomstandigheden in Afrika getroffen. Zaadeters als Cirlgors, Geelgors en Grauwe gors werden gehoord en waargenomen, maar niet in grootse aantallen. Vooral in de hogere houtwallen en op de rand van de eikenbosjes baltsten Boompiepers. Ook schijnt de Orpheusspotvogel in dit type landschap voor te komen. Maar behalve één mogelijke zichtwaarneming heb ik deze niet gezien en gehoord. Tussen en rondom de Limousin-koeien in de weilanden waren vooral Spreeuwen en Koereigers (met een enkele keer Kleine zilverreiger) op jacht naar insecten en ander klein gedierte.

Grauwe gors
Grauwe gors (foto Ana Buren)

Vogels van bossages en eikenbos

Tijdens de wandelingen langs deze landschapselementen werden praktisch overal Zomertortels gehoord. Langs de randen vooral Boompiepers en meer in het midden Zwartkoppen, Vinken en Winterkoningen. Veel soorten werden gemist doordat we pas eind juni in het gebied waren (o.a. Nachtegaal en Fluiter). Uit de literatuur (1) blijkt dat het gebied, vanwege de aanwezigheid van veel oudere eiken, rijk is aan spechten. Soorten als Zwarte, Groene, Grote bonte, Middelste bonte, Kleine bonte specht en Grijskopspecht kunnen worden aangetroffen, naast andere holbewonenden soorten als mezensoorten, Boomklever en Kortteenboomkruiper.

Vogels van rivieren

Direct ten zuiden van het merengebied ligt de rivier de Creuse en nog verder zuidelijk de rivier de Anglin. Hoewel we maar sporadisch langs deze riviertjes zijn geweest. Krijg je met enkele bezoekjes al gauw een indruk van de vogelbevolking langs deze rivieren.

De Creuse ter hoogte van dorp Ciron
De Creuse ter hoogte van dorp Ciron (foto Rob Lindeboom)

Aangetroffen zijn op één middag: IJsvogel, Grote gele kwikstaart, Oeverzwaluw, Witte kwikstaart en Kleine zilverreiger.

Kleine zilverreiger
Kleine zilverreiger (foto Ana Buren)

Van horen zeggen zat in een afgraving ter hoogte van het dorp Ciron langs de Creuse een kolonie Bijeneters.

Vogels van dorp en omgeving

In en rondom het dorp Rosnay werden de volgende soorten aangetroffen: Hop, Cirlgors, Gierzwaluw (kleine kolonie in en rond kerk), Huiszwaluw (kolonie in en rondom restaurant), Boerenzwaluw, Huismus (veel), Zwarte roodstaart, Putter en Europese kanarie (schaars). Steen- en Kerkuil waren volgens campinggasten ook aanwezig.

Vogels van de heide

De heideterreinen in de Brenne zijn grotendeels begroeid met metershoge Bezemdopheide (Erica scoparia) en zijn daarmee totaal anders dan de ons bekende heideterreinen. We hebben een Slangenarend zien jagen boven zo’n heideterrein. Overige soorten vogels, die daar kunnen worden waargenomen zijn, Nachtzwaluw, Orpheus spotvogel, Boompieper, Boomleeuwerik en Provencaalse grasmus. Behalve de Boompieper hebben wij betreffende soorten helaas niet gezien en gehoord.

Overige waargenomen diersoorten

De Brenne staat niet alleen bekend om zijn vogels maar ook om zijn zoogdieren, amfibieën, reptielen en insecten. De Europese moerasschildpad is op zonnige dagen goed vanuit schuilhutten te observeren, wanneer ze op takken in het water liggen te zonnen. Ook zie je in praktisch alle meren de Beverrat zwemmen (zie onder beheer). Overige soorten zoogdieren, die we sporadisch tegenkwamen zijn, Edelhert, Ree en Vos.

Particulier meer met open rietranden
Particulier meer met open rietranden (foto Rob Lindeboom)

Beheer

Over het onderscheid in beheer van de meren is hierboven al een en ander gezegd. De meren in het natuurreservaat hadden veelal, in tegenstelling tot de nog voor de viskweek actieve meren, wel een drijvende watervegetatie en (uitgebreide) rietkraag. Opvallend was echter dat in de natuurreservaten delen van de drijvende watervegetatie uitgerasterd waren met gaas. Vermoedelijk om hiermee (potentiële) broedkolonies voor de Witwangstern te scheppen. De overal en massaal aanwezige Beverrat, een exoot uit Zuid Amerika, is een planteneter. Dit knaagdier is praktisch zo groot als een Bever en lijkt ook hierop (alleen heeft de Beverrat een ronde i.p.v. een platte staart). De Beverrat tast niet alleen de oevervegetatie, maar ook de drijvende vegetatie, op grote schaal aan en bedreigt daarmee ook de Witwangstern.

Steltkluut
Steltkluut (foto Ana Buren)

Faciliteiten

Voor onze reis naar La Brenne hebben we via internet gezocht naar campings in het gebied. Aangezien het geen echt toeristengebied is, zul je er geen “ANWB-campings” aantreffen met bijbehorend restaurant en andere randvoorzieningen. Wel hebben een aantal dorpen in of direct rondom het gebied een gemeentelijke camping (Camping Municipal), die prima staplaatsen en sanitaire voorzieningen hebben voor tenten, caravans en campers. Ook zijn er in deze omgeving duurdere vormen van overnachting in de vorm van chambres d’hôtes en gîtes aanwezig.

Wij kwamen uiteindelijk uit op Camping Municipal Les Millots bij een klein meertje ten noordwesten van het dorp Rosnay. Dit dorp, met bakker en restaurant, ligt centraal in het merengebied en de camping is een uitstekende uitvalgebied voor fiets-, wandel- en/of autotochten.

Door de aanwezigheid van grote eiken op de camping kun je de tent, indien gewenst, een groot deel van de dag in de schaduw zetten. In het meertje van de camping mag gevist worden en door de aanwezigheid hiervan en enkele particuliere meertjes direct ten noordwesten van de camping voel je je midden in het merengebied. De sanitaire voorzieningen zijn goed en schoon en sinds dit jaar hebben ze Wifi. Toen wij er stonden (eind juni) stonden er hoogstens 15 tenten, campers en caravans. Echter eerder in het vogelseizoen schijnt het drukker te zijn geweest met vogelaars uit Frankrijk, Nederland en Engeland. Op de meertjes op of vlakbij de camping komen ook allerlei vogels af. Op de camping zelf werd i.i.g. Purperreiger, Kapmeeuw en Waterhoen waargenomen, terwijl op de meren vlak bij de camping i.i.g. Witvleugelstern, Kapmeeuw, Purperreiger, Kleine zilverreiger, Kwak en Blauwe reiger werd waargenomen. Mocht je besluiten hier te gaan staan, houdt dan rekening met de mogelijke aanwezigheid van veel muggen ’s avonds. Ga dus strategisch op de camping staan (niet te dicht bij bossages en in de wind) en neem antimug mee. Een ander nadeel van deze camping is dat ten noordoosten van Rosnay een militair terrein (kazerne) met een tiental hoge zendmasten aanwezig is. Je hebt er, behalve dat het in het zicht valt, verder geen last van en na de eerste visuele schrik went het snel en kun je het zelf voor je oriëntatie in het gebied gebruiken. Rondom de kazerne schijnt het zo stil te zijn dat de Ralreigers bij voorkeur op of direct aangrenzend aan dit terrein broeden.

Meertje bij camping Les Millots in Rosnay
Meertje bij camping Les Millots in Rosnay (foto Rob Lindeboom)

De D-wegen in het gebied zijn zo autoluw dat je er met een gerust hart kunt wandelen en fietsen. Alleen in de Franse spits wil wel eens een enkele Fransoos op weg van of naar zijn werk over deze wegen scheuren. Ook zijn er volop fiets- en wandelroutes in het gebied uitgezet (zie literatuur 1 en 4). En, zoals eerder gezegd, de vele uitstekende vogelkijkhutten in het gebied zijn ideaal voor observatie en fotografie. De meeste hutten (7-8) liggen in het natuurreservaat Chérine en geven aanleiding tot mooie observaties (zie literatuur 3). Ook de hutten aan de beschermde meren Étang Foucault en Étang Masse zijn zeer de moeite waard. Let bij alle hutten op de ligging t.o.v. de zon! De ene hut kun je beter ’s ochtends bezoeken en de andere ’s avonds.

Literatuur

1. Loire Valley – Loire, Brenne and Sologne; Crossbill Guides door Dirk Hilbers en Tony Williams.
2. Parc naturel regional de la Brenne 2014-2015 (Franse kaart van gebied).
3. Découvez la Réserve naturelle de Chérine (Franse folder van natuurreservaat Chérine).
4. La Brenne – Parc naturel régional (Frans stafkaart van gebied).

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen